Het is alsof ik in een sprookje van Duizend-en-een-nacht rondloop: woestijn, gele gebouwen, kromzwaarden, tulbanden, kamelen en henna op mijn huid. Net als je je helemaal arabisch zit te voelen, klinkt er dat heerlijk boeddhistsche 'Om mani padme hum' over de daken en zie je vrouwen in prachtige sari's voorbij lopen - vaak met een wat minder prachtige gezichtsuitdrukking. Dat zal de zon wel zijn.
Op 6 maart (nogmaals gefeliciteerd lief zusje!) ben ik vanaf Kathmandu naar Delhi gevlogen waar Roos (vriendin) al uren zat te wachten. Toen we de stad ingingen had ik me geestelijk voorbereid op de enorme schok die het ons volgens veel mensen zou geven, maar die schok bleef uit. Het was meer iets dat zich op de lange termijn afspeelde. Bijna iedereen die je aansprak had de bedoeling om geld uit je zak te kloppen. Uiteindelijk voelde het alsof je echt niemand kon vertrouwen en dat is heel erg vermoeiend/jammer.
We hebben natuurlijk wel het Holi festival gevierd in Delhi. We zijn met zijn drieen naar buiten gegaan - we hadden nog een meisje, Mara, ontmoet - maar we hebben wel de gekte vermeden. Al zou je dat niet zeggen als je onze gezichten, armen, kleren en mijn eens zo witte schoenen had gezien.
Twee dagen in Delhi waren voor ons meer dan genoeg, maar uiteindelijk waren we er vier dagen. We zijn toen heel impulsief naar Mcleod Ganj gegaan, een dorpje in het noorden van India dat ook wel 'Little Lhasa' wordt genoemd. Als je het dorp inkomt weet je waarom, want er lopen een heleboel gevluchte Tibetaanse monniken en gewone Tibetanen rond. De naam zou heel misschien ook wel iets te maken kunnen hebben met het feit dat ook de gevluchte Tibetaanse regering daar verblijft. Ook was het zo dat (drum roll please) de Dalai Lama daar tegelijk met ons was! We hadden zijn openbare teaching net gemist, maar het was wel een bijzonder idee.
Op de derde ochtend ben ik naar zijn tempel geweest om de puja te zien. Dat hield in dat er een heleboel monniken in en rond de tempel zaten te mediteren of, als ze dat even zat waren, gezellig zaten de kletsen. Wij mochten er gewoon bij komen zitten en kregen zelfs ontbijt; al was ik blij dat ik mijn tweede kopje zoute yakboterthee mocht afslaan.
Na twee nachten reizen in de trein, slapen op mijn tassen en starende Indiers weerstaan te hebben zijn we in Jaisalmer aangekomen, vlakbij de grens met Pakistan. Van Tibet naar Pakistan, India moet nog even wachten. We zijn vandaag uit het hotel gevlucht waar we in eerste instantie naartoe waren gelokt; de buren zaten de hele nacht Indische films te kijken. Dat is op zich cultureel gezien hartstikke interessant, maar in de praktijk is het dodelijk irritant. Nu zitten we in een prachtig hotel met een hele aardige staf. Dat laatste is een enorme opluchting. Terwijl ik dit schreef zat een van hen te vertellen dat knoflook heel gezond is en dat je daarna chocola moet eten tegen de lucht. Met zulke verhalen kan je alleen maar een geweldig karakter hebben, toch?
Morgen krijgen we de kans om de kamelen wat beter te leren kennen, want we gaan namelijk vier (vier!) dagen door de woestijn hobbelen.
Nu ga ik proberen de nacht slapen door te brengen; dat is namelijk best lastig met deze hitte.
Ciao! (Klinkt heel misplaatst, maar dat zeggen ze hier de hele tijd.)